Geschiedenis van Verviers
De geschiedenis van Verviers begon enkele eeuwen geleden, toen het water van de Vesder de wol heel zacht maakte, waardoor hun lakens tot op markten aan de Middellandse zee verkocht werden. Vandaag herstelt Verviers, met een knipoog naar het verleden, zijn band met het ‘blauwe goud’ dat hen vroeger zoveel welvaart bracht, met de stuwdam van de Gileppe, het waterzuiveringsstation van Stembert, de Société Wallonne des Eaux en de Société Publique de Gestion de l'Eau.
Verviers was vanouds een stad waar de lakenindustrie floreerde. Een van de lakenfabrikanten op het einde van de 18e eeuw was Simonis & Biolley. Toen de machinebouwer William Cockerill in 1797 uit Engeland vertrok, ontmoette hij in Hamburg een wolhandelaar die hem in contact bracht met Iwan Somonis. Deze nodigde hem uit om machines voor hem te bouwen voor de bewerkingen van wol. In 1799 vestigde hij zich in Verviers.
Allereerst liet Cockerill zijn schoonzoon, de machinebouwer James Hodson, in 1803 overkomen naar Verviers.
Cockerill ging terug naar Engeland, waar hij van 1803 tot 1806 verbleef. Van daar uit smokkelde hij machineonderdelen, verstopt in kisten textiel, naar het vasteland. Dit was verboden vanwege het embargo dat tijdens het bewind van Napoleon Bonaparte van kracht was.
Toen William Cockerill samen met zijn schoonzoon James Hodson in 1807 een fabriek voor textielmachines in Luik begon, was de kiem voor de industriële revolutie op het Europese continent gelegd. De stad Verviers werd de eerste stad op het continent waar deze omwenteling een aanvang nam.
Daardoor evolueerde de lakenindustrie in Verviers van een aantal kleinere bedrijfjes tot een veel kleiner aantal grotere, geïndustrialiseerde bedrijven op basis van stoomkracht. Reeds in 1788 was de textielindustrie alhier verantwoordelijk voor meer dan 72% van de totale export van het Prinsbisdom Luik.
Halverwege de 19e eeuw lag het zwaartepunt van de Belgische textielindustrie in Verviers. Dat is ook de tijd waarin gebouwen opgetrokken werden die de grootsheid van de stad mee gingen bepalen. In 1873 echter vond een crisis plaats ten gevolge van overproductie. Deze duurde tot 1896. Einde 19e eeuw was een groot deel van de textielfabrieken in Verviers al verouderd ten opzichte van nieuwe en concurrerende industriegebieden. Uiteindelijk zijn er begin 21e eeuw nog slechts twee bedrijven (waaronder Iwan Simonis) actief in de wolindustrie.
In de donkere hokken van aftandse magazijnen van de wolfabrikanten had Verviers nog een rist roestige textielmachines staan, ooit gemaakt door de bollebozen waarover hoger sprake. Een beetje respect hiervoor, dachten ze bij de toeristische dienst. Tien machines werden van onder het stof gehaald en opgeknapt. Sommige daarvan zijn te vinden langs de stadswandelingen. Andere belandden in het wolmuseum.
Stuwdam van de Gileppe
De enorme stuwdam behoort tot de oudste betonnen stuwdammen van Europa. De bouw begon in 1869 en duurde tot 1878. Op 28 juli van dat jaar werd de stuwdam geopend door koning Leopold II.
Tussen 1967 en 1971 werd hij geconsolideerd en werd de capaciteit van het stuwmeer verhoogd tot 26,4 miljoen m³ water. De stuwdam werd toen meer dan 10 meter verhoogd. Na de beëindiging van dit werk werd de dam op 20 oktober 1971 door koning Boudewijn geopend.
Het meer wordt gevoed door de Gileppe, de Louba en de Soor. Het ganse complex werd gebouwd als een hydro-elektische centrale die de energie gebruikt van het waterverval van 42,9 meter en het debiet dat gemiddeld 76.300 m³/dag bedraagt. Twee turbines drijven elk een alternator aan. De centrale levert een jaarlijkse productie van 3.300.000 kWh.
De majestueuze leeuw is een indrukwekkend beeld en schitterend om te zien. De beroemde leeuw, gemaakt door Félix-Antoine Bouré, heeft een hoogte van 13,5 m en een gewicht van 130 ton. Hij werd opgetrokken met 183 blokken zandsteen die zoals een puzzel in elkaar passen. Ze werden volledig gedemonteerd en opnieuw opgebouwd ter gelegenheid van de recente verhoging van de dam.
De leeuw staat boven op de stuwdam en werd zo geplaatst dat hij trots uitkijkt in de richting van de toen slechts 5 kilometer verwijderde grens met het toenmalige Pruisen (Lontzen en Eupen).