Er was eens … Een kijk op volksverhalen
Rond de eeuwwisseling heeft de UNESCO beslist om voortaan bijzondere aandacht te hebben voor allerlei tradities, in het bijzonder kwetsbare overleveringen zoals liederen en verhalen. Dat er vroeger veel verteld werd, is vast te stellen door onderzoeksresultaten aan de universiteiten. In Leuven heeft men bijvoorbeeld grondige studies gedaan over oude culturele tijdschriften, die zich toespitsten op de cultuur van iedere dag en vaak geleid werden door onderwijzers, leraars, priesters en literatoren. Het belangrijkste tijdschrift inzake volkscultuur is Volkskunde, dat in 1888 opgericht werd door de dichter Pol De Mont (1857-1934) en leraar August Gittée (1858-1909).
In Leuven heeft men heel veel bijgedragen tot de studie van volksverhalen. Prof. K.C. Peeters (1903-1975) is erin geslaagd om tientallen studenten niet alleen culturele tijdschriften te laten excerperen en onderzoeken, maar ook via veldwerk volksverhalen te verzamelen in heel Vlaanderen. Een voortrekker op dit domein was wijlen Alfons Roeck (1927-2014), jaren ook stadsgids in Leuven, die in 1950 afstudeerde met zijn licentiaatsverhandeling Bijdrage tot een Hagelands Sagenboek. In 1969 promoveerde hij bij K.C. Peeters met een doctoraal proefschrift over De weerwolf in de Nederlandse volkssage van de negentiende en de twintigste eeuw. Als student bij K.C Peeters heb ik in 1964 volkssagenonderzoek gedaan in Langemark en omstreken. In de loop der jaren (1950-2011) zijn er aan de Leuvense universiteit ongeveer 80 licentiaatsverhandelingen gerealiseerd, die handelen over volksverhalen als resultaat van intensief veldwerk. Al bij al een gigantisch stuk cultureel erfgoed.
Zo’n 150 jaar geleden sprak men van folklore, een Engelse term die de Engelsman William John Thoms (1803-1885) in 1846 heeft gelanceerd. In Vlaanderen is die term verouderd en daarom vervangen door volkskunde of volkscultuur. Deze laatste benaming werd op 27 oktober 1998 officieel erkend door het Vlaams parlement naar aanleiding van de oprichting van het Vlaams Centrum voor Volkscultuur in Brussel. Ondertussen heeft het VCV een andere naam gekregen en spreken we vanaf 2008 van FARO - Vlaams Steunpunt voor Cultureel Erfgoed.
Bert Anciaux, in 2001 minister van cultuur, had niet alleen veel belangstelling en aandacht voor immaterieel erfgoed, hij stelde ook heel wat financiële middelen ter beschikking voor allerlei erfgoedprojecten. Zo startte in 2002 het project ‘Op verhaal komen’. Dit leidde tot de oprichting van een Vlaamse Volksverhalenbank, die ruim 7 0.000 verhalen telt en op het internet te consulteren is onder www.volksverhalenbank.be. Een laatste project heb ik dankzij het Davidsfonds kunnen realiseren, namelijk de publicatie per provincie van vijf sagenboeken: Limburg (2004), West-Vlaanderen (2005), Vlaams-Brabant (2005), Oost-Vlaanderen (2006) en Antwerpen (2007). Deze gecommentarieerde verzamelingen zijn bij mij nog beschikbaar.
In de volgende nummers van dit clubblad komen acht volksverhaalgenres aan bod, namelijk: fabel, grappig vertelsel, legende, moderne sage (broodjeaapverhaal), mop, mythe, sage en sprookje.
Alvast veel leesplezier gewenst!
Stefaan Top