Overslaan en naar de inhoud gaan
Verslagen van culturele activiteiten, voordrachten, enz..

Bezoek Engelenburcht

De ‘Engelenburcht’ 
Ursulinenklooster in Tildonk
14 juni 2025

We werden ontvangen door  zuster Bénédicte en mademoiselle Florentine. 2 bewoners van het internaat in 1922. We werden in twee rijen opgesteld met als bestemming een leszaaltje.  Eerst werd ons duidelijk gemaakt dat we in het jaar 1922 waren en dat de voertaal Frans is. Nu ja, er vlogen wel wat Franse zinnen rond maar de meeste uitleg was in het Nederlands (met een Frans accent).

In die zaal hing een metersgroot schilderij van de stuwende kracht achter de oprichting van de orde in België, de Tildonkse pastoor Johannes Lambertz (1785-1869). In 1818 vormde hij de stallen van zijn pastorie om tot klaslokaal. Hij engageerde drie ‘godvruchtige meisjes’ als lerares, waaronder zijn eigen meid, en gaf hen een voorlopige leefregel als ‘Dochters van de H. Ursula’. Bij zijn overlijden had pastoor Lambertz vanuit Tildonk veertig kloosters gesticht. Terug naar 1922.

Meteen werden de aanwezigen als kandidaten bestempeld om hun dochters hier onder te brengen. Een clublid had ook 4 jaar internaat meegemaakt, ze werd meteen gepromoveerd tot lichtend voorbeeld: “zie welk een schitterende dame je terugkrijgt na een verblijf in ons internaat”.  Het schooljaar begint in oktober en eindigt half augustus. Ook de kapsels en de kleding van de kandidaat- leerlingen werden bij aankomst kritisch gekeurd en becommentarieerd.

We bezochten de gangen met de leslokalen en de gigantische kerk (nu een feestzaal). Daar kregen we een verhaal over een 16-jarige misdienaar die de aandacht trok van de 200 meisjes voor wie het verboden was om op te kijken onder hun sluier. Maar 'Hij kon het niet laten!', paraderen dus.

Je moest van goede komaf zijn, kostprijs 400 Bfr per jaar en dan nog wat supplementen zoals 5 Bfr voor verschillende gebruiksvoorwerpen, 3 Bfr voor het gebruik van het bed (!), 30 Bfr voor de was en een toeslag voor een aantal facultatieve keuzes zoals schilderen, piano, vreemde talen…  Dit bedrag werd vergeleken met de maandwedde in 1922 van 70 Bfr voor een behoorlijk goede job. Dochters uit het dorp waren eveneens welkom ze kregen afzonderlijk lessen, wel deeltijds. Ze moesten een deel van de onkosten vergoeden met werk. En dan de uitzet van je dochter: ‘twee uniformen, een paraplu en caoutchoucs (botten!), een zilveren bestek, zes servetten, zes handdoeken, drie paar lakens, zes kussenslopen, dekens…’.

Indruk maakte vooral de gigantische overkoepeling van een binnenkoer, zowel boven als aan de zijkant voorzien van met  plantenvormen versierd glas, de andere muren beschilderd met onder meer opvoedkundige woorden. De laatstejaars voerden hier zelfgeschreven toneelstukken op. In de wasserij werd er bijzonder gewaakt over ‘kanten broekjes’. Er stond een uniek systeem voor het drogen dat aansloot bij de verwarmingsinstallatie. We sloten af in de bakkerij met zijn antieke oven.
Daarmee was de rondleiding afgelopen en beëindigden onze gidsen hun rol.

Wetenswaard: 12 procent van de zusters waren maagd… de overige steenbok, boogschutter, enz… Onze twee gidsen waren echte roddeltantes, van de afwezigheid van de andere werd duchtig geprofiteerd. We wensten hen nog van harte proficiat met dit zeer humoristisch ‘toneelstuk’.
Een enthousiaste deelnemer.
Foto’s: Guy Vandevelde
 

Bezoek Elfde Gebod

HET ELFDE GEBOD

Gij zult genieten
zegt het elfde gebod
Onder het toeziend oog
van allerlei heiligen en
engeltjes en ook wel wat
bengeltjes drinken we
er eentje en
proeven er twee
We eten gezellig met
andere genieters
en babbelen en knabbelen
en geven ook 
onze ogen de kost
We gluren en turen
we spieden en loeren
en zien allerlei toeren
van die heiligen die
ons omringen die zich
een beetje opdringen
Maar al bij al
zijn ze braaf
en blijven we nog
een tijdje smaken
en smullen
en babbelen
en knabbelen
in het Elfde Gebod
daar is het genieten


©Anke De Vrij 2025 

(naar aanleiding van het gezellige etentje en babbeltje in het Elfde Gebod te Antwerpen)

Culinaire verhaaltjes van Frans Rombouts

Culinaire verhaaltjes van Frans Rombouts


Damast of papier?

Het aanstaande koppel zat er stralend bij. En ja, ze hadden geluk: op de datum voor hun trouwfeest was de zaal nog vrij. Ze doorbladerden het fotoboek van de feestzaal en zagen zichzelf al in gedachten de bruidstaart aansnijden, hand in hand. Ook de twee moeders, of schoonmoeders in spe, zo je wil,  bladerden mee. De vaders/schoonvaders zaten erbij zoals van hen betaamd wordt: op een afstandje en stilzwijgend.

Hert was niet makkelijk voor de kokkin om een eenduidige beslissing over het menu te krijgen. Dit waren duidelijk twee families met héél uiteenlopende culinaire tradities. Waar de ene dame kreeft wilde, had de andere liever maatjesharing. Niet enkel de tradities op vlak van gastronomie waren erg verschillend, ook de kijk op de financies waren blijkbaar sterk uiteenlopend. De zoon van de kokkin deed zijn best om de discussies te volgen en de moeizame beslissingen in zijn laptop te steken. Met frequent gebruik van de delete-toets.

Schoonmoeder A bekeek die goedkeurend, maar schoonmoeder B fronste haar wenkbrauwen. “En als we de servetten en tafelkleedjes nu eens vervangen door papier? In onze familie gebruiken we altijd papier. Veel milieuvriendelijker. Hoeveel prijsverschil maakt dat dan?”, vroeg B. De ogen van A schoten bliksemschichten.

De mensen van de feestzaal bleven er heel kalm bij. Ze waren duidelijk heel wat gewend. Nog niet zo lang geleden vroegen de twee families twee volledig verschillende, en financieel sterk uiteenlopende menu’s. Gelukkig konden ze, weliswaar met veel diplomatie, de families op andere gedachten brengen.
Want ziet u het al gebeuren? De ceremoniemeester nodigt met veel protocol de gasten ten tafel. De familie van de bruid aan de tafels met het zilveren bestek, het linnen van damast en een prachtig ‘milieu de table’ met fantastische bloemen. En de familie van de bruidegom aan de tafels met het wegwerp campingbestek, de papieren servetten en de plastic bloemen…

“We kennen dat soort,” zei de kokkin me achteraf. “Vanaf het moment dat het drankenforfait stopt en er per consumptie afgerekend moet worden, zal het feest vlug afgelopen zijn…”


Kurk

We zaten in een druk beklante brasserie. De kelners liepen af en aan en de gerechten zagen er goed uit. Ons oog viel op een Montepulciano d’Abruzzo, een Italiaanse DOC-wijn uit Umbrië. We waren nog maar een paar dagen voordien op een workshop over Italiaanse wijnen geweest, en het lag nog vers in ons geheugen: donker robijnrode kleur, complexe en volle geur, rijpe kersen, rode en zwarte bessen, viooltjes, vanille en chocolade en zelfs een snuifje tabak. Perfect voor bij onze kalfsschenkel. Bovendien kwam deze wijn uit de Colline Teramane. Beter kon niet, en daar gingen we voor!

De fles werd door onze kelner geopend zoals het hoort, hoewel de jongen alle kentekenen van een jobstudent vertoonde. Zijn witte hemd en zwarte broek had hij waarschijnlijk geleend van zijn vader of grootvader, die duidelijk al veel van het ‘goede leven’ genoten had en dientengevolge omvangrijker was dan hijzelf. Zijn schoeisel, daarentegen, was wel hem: onvervalste lichtblauwe baskets. Nu ja, zelfs in een klassezaak doe je kilometers en de zwarte schoenen van (groot)vader zullen waarschijnlijk te klein geweest zijn…

Hij liet me proeven. Eigenlijk was dat al niet meer nodig: dat de wijn muf was kon je meters ver ruiken. Géén rijpe kersen, vanille of chocolade, maar wel een overweldigende smaak van Tunesische kurkeik. De kelner wist niet wat er gebeurde toen ik hem zei dat de wijn een kurksmaak had. Deze situatie was blijkbaar in zijn spoedcursus wijnkunde niet voorzien. Ik suggereerde hem voorzichtig om de wijn eens te laten proeven door ‘de baas’. De jongen nam de fles en mijn glas mee, deponeerde de fles op de bar en verdween met het glas in de keuken. Hij kwam terug en zei dat de baas “niets verkeerds proefde”. Maar deze poging om mijn zelfvertrouwen te doen wankelen mislukte en er kwam een andere fles, deze keer een goede.

Ondertussen waren er twee wat oudere gasten aan een tafel naast ons komen zitten. Ze hadden graag een glas wijn bij hun eten, zij rosé en hij rood. De kelner liep naar de bar en met de rug naar de zaal vulde hij een glas met rosé (uit zo’n grote tweeliterfles) en eentje met rode wijn... uit onze eerste fles! Niemand heeft iets gezien, zo dacht hij waarschijnlijk. Maar hij vergat wel dat er spiegels achter de bar hingen…

En de gast naast ons? Die zei aan de kelner dat de wijn een kurksmaak had...


¡Madre de Dios!

Volgens het bord buiten waren er in dit restaurant ook kindermenu’s. Er waren twee kleine kinderen in ons gezelschap: perfect dus.We hadden Spaanse vrienden op bezoek, en gingen binnen.

De zaak bestond reeds heel lang, en binnen zag ze er nog uit zoals op de openingsdag. Binnenhuisarchitecten zouden hier een mooie kluif aan hebben. Maar in het boerendorp, waar wij waren, is een goed en goedgevuld bord veel belangrijker dan wat er tegen de muur hangt. En deze zaak had op dat vlak een goede reputatie. Alleszins toch tot wij er kwamen.

Een dame op leeftijd nam onze bestelling op. De routine zat er duidelijk niet in. Was ze de moeder of misschien wel grootmoeder van de eigenaar? Of een buurvrouw die komt helpen als het wat druk wordt? In elk geval, deze dame was wel vol goede wil, maar de kaart had ze blijkbaar nog niet gelezen. Alles wat we bestelden, schreef ze nauwgezet op, waarbij ze de bestelling daarna nog eens controleerde met wat op de kaart gedrukt stond. Zo moeten de middeleeuwse monniken de manuscripten ook gekopieerd hebben…
Eén zaak is zeker: op die manier konden er nooit fouten in de bestelling sluipen.

Buiten liep de temperatuur tegen het vriespunt aan, warme soep zou dus deugd doen. En er stond witloofsoep op de kaart. We bestelden ze. En de twee kinderen in ons gezelschap gingen voor het kindermenu: kip met appelmoes, of wat dacht u?

Van het voorgerecht had niemand te klagen. Hoewel… Onze soep was zo koud net als het –bijna bevroren- water in het vijvertje buiten. Dit was de eerste maal dat we witloofsoep als gazpacho kregen!
Geen probleem. De bomma van de bediening zou het oplossen: ze nam de borden mee naar de keuken, en een paar minuten later hoorden we de biepbiepbiep van de magnetron, en daar kwam onze soep, warm dampend. Lekker was ze wél.

En toen kwamen de twee halve kippen. Bomma zette de borden voor de kinderen en zei tegen de mama: “Als de kip niet meer lekker is, moet je het maar zeggen.” We konden onze oren niet geloven, tenminste diegenen die het plaatselijke dialect verstonden.
De twee ukkies waren nog niet erg bedreven met mes en vork, dus haalden hun moeders het vlees van de beentjes. Of tenminste, ze probeerde. ‘Vlees’ was wel een groot woord voor de donkerbruine uitgedroogde strengen vezels die aan het been vastzaten. Het was niet los te krijgen, net zoals in die reclame voor de lijm waarmee je een belastinginspecteur aan het plafond kan plakken. Zou dit vlees vijf of zes maal in de warmeluchtoven opgewarmd zijn? Taaier kon niet meer. Dat gaf ook bomma toe.

En toen gebeurde het wonder: in de keuken barstte een verbaal onweer los, en geen vijf minuten later kwamen er opnieuw twee halve kippen, nu wél perfect gegaard en zeer lekker.

En toen sprak onze Spaanse tafelgenoot de gevleugelde woorden: “¡Madre de Dios!”


Stoofpotje met witloof

Het zag er allemaal veelbelovend uit. Via een boomgaard kwam je aan de zaak, een vroegere boerderij. We hadden de keuze tussen het restaurant, dat in vroeger tijden om zijn kreeftendiners grote naam gemaakt had, en de brasserie in de verbouwde schuur. We kozen voor het laatste, een echte brasserie met prachtig dakgebinte, een knetterend haardvuur en bedrijvige zwart/witte kelners met lange schorten.
Naast de kaart was er ook een dagmenu: een stoofpotje met witloof. Dit sprak mijn twee tafelgenoten wel aan, maar ik ging voor de steak tartaar van de kaart.

Wat wij daarbij wilden drinken, vroeg onze kelner. Een wijntje, misschien? En welke wijn wij gewenst hadden? Een beetje moeilijk om kiezen, zonder wijnkaart. Hij verstond mijn probleem onmiddellijk en rende om de kaart. Daar stond een fles 100 percent malbec uit Argentinië op tegen een meer dan redelijke prijs, een goede keuze zou achteraf blijken.

De voorgerechten arriveerden: voor mijn tafelgenoten een lauw slaatje met een kippenspiesje, lekker naar het scheen, en voor mij een garnaalkroket mét garnalen erin… Dat zie je ook niet altijd.

Het hoofdgerecht wekte dan ook grote verwachtingen. Als ik wou, kon ik mijn steak tartaar zelf mengen, maar ik liet de eer aan de chef. Hij was mooi vers gehakt (de steak, uiteraard). En de frietjes waren mooi krokant gebakken. Perfect.

Aan de andere kant van de tafel waren er evenwel geen lofbetuigingen voor de chef. Het vlees in het stoofpotje was taai, niet te kauwen eigenlijk, en het gestoofde witloof was praktisch nog rauw. Die borden bleven dan ook meer dan halfvol. Een andere kelner, dit keer een jongedame –de shift van ‘onze’ kelner zat er blijkbaar op- kwam vragen of alles naar wens was. Eigenlijk niet, zeiden mijn twee tafeldames in koor, en ze legden uit waarom. De kelner verdween in de keuken en kwam een paar minuutjes later terug. Ze dreunde het recept van het stoofpotje op: eerst was het vlees aangebakken in boter met sjalotjes, dan gesmoord in rode wijn, etc. etc. etc. Heel sympathiek van haar, maar toch was het vlees taai. We wilden haar niet al te veel in verlegenheid en vroegen of de chef misschien even zelf kon komen. De service zat er toch bijna op. Dan zouden we hem zeker zeggen dat de voorgerechten lekker waren, maar dat zijn stoofpotjes tegengevallen waren. Reactie: ik zal het hem zeggen.

De chef hebben we nooit gezien, de rekening wel.


Frans Rombouts, 5 september 2018

Ontstaan en groei van het Vandalecollege

Ontstaan en groei van het Vandalecollege


In 1569 verwierf Kan. Pieter Van Dale een pand aan de toenmalige Proefstraete (nu Naamsestraat) te Leuven, op de hoek met het Raamstraatje. Het domein strekte zich uit van de Heversche binnenpoorte ten zuidoosten tot de Wolfspoort en de Redingenpoort in het zuidwesten. Het ligt op een hoogst merkwaardige plaats: het hoogste punt van de binnenstad, nabij de resten van de 12e eeuwse ringmuur, vlakbij het Groot Begijnhof.

Pieter Van Dale kocht het pand van Ridder Jacques Quarré, heer van Den Haag, en van zijn echtgenote Anna Van Blehen. Anne Van Blehen was de enige dochter van Adriaan Van Blehen dieAfbeelding verwijderd. op zijn beurt de tweede zoon was van Anselmus Van Blehen.

Langs de Naamsestraat verdringen zich daarenboven de rijkste monumenten van de stad: de lakenhal (14e eeuw), de Sint-Pieterskerk (15e eeuw), het stadhuis (15e eeuw), de Sint-Michielskerk (17e eeuw) en verder een indrukwekkende rij van universitaire colleges die evenwel meestal van latere datum zijn.

Op het gekochte terrein bevond zich op het ogenblik van de koop een ruime ridderwoning met tuin, wijngaard en stallingen. Van deze ridderwoning vinden we heden nog belangrijke resten terug in het college. Naden in sommige muurgevels verraden treffend op welke plaatsen er aangebouwd werd tegen de oorspronkelijke woning.

Vooral in de zogenaamde ridderzaal vinden we nog drie oorspronkelijke balken terug waarop het wapenschild gebeiteld staat van de voormalige eigenaar: ridder Adriaan Van Blehen.

Een eerste bouwfase (1569-1572)

Zowel links als rechts werd de ridderwoning zonder ingrijpende veranderingen ingepast in de uitbreiding van het college, dat opgetrokken werd rond een vierkante binnenkoer.

Als we op die binnenkoer plaatsnemen ervaren we zonder enige moeite de Italiaanse invloed die de Renaissance zijn specifiek karakter geeft. We bevinden ons inderdaad in een typische Renaissance palazzo-omgeving: een binnenplaats met portiekgalerij. Bij de restauratie werd de galerij dichtgemaakt met glas.

De zuilengalerij links van de ingang wordt gevormd door 15 rondbogen. Die rondbogen worden gedragen door 14 ronde monoliete arduinen zuilen, allen met het meesterteken van de steenkapper, terwijl in de twee hoeken monoliete vierkante zuilen gebruikt werden. De overkoepeling van de rondbogen is eveneens in arduin.

Het poortgebouw, dat de verbinding maakt tussen de kapel en de voormalige eetzaal, is eveneens een bouwwerk dat deel uitmaakt van de oorspronkelijke bouwfase van 1569 en dat Renaissance kenmerken vertoont.

Het is interessant op de kapel iets dieper in te gaan. Het lijkt er immers op dat de bouwmeester bijzonder goede ervaring had met het bouwen van kerken en kapellen in de nieuwe bouwstijl. Hoewel het koorgewelf ons een onvergetelijk staaltje van gotisch netwerk toont, waarin de bouwmeester zich helemaal uitleefde, staan we aan de buitenzijde van het koor, op de tweede binnenkoer, voor een onvolprezen Renaissance-meesterwerk, zowel op esthetisch als op bouwkundig vlak. Daarenboven zijn er op een merkwaardig harmonieuze wijze, gotische elementen in verweven.

Het ronde torentje, gemetseld precies tussen het koor en het hogere schip van de kapel, zit half in het dak verwerkt en legt op een verbluffende wijze de band tussen beide delen van het gebouw. Het torentje is een opeenstapeling van steeds kleiner wordende verdiepingen, gedragen door zuiltjes. Onder de daklijst van het koor vinden we een hele rij typische consoles, waarvan eerder reeds sprake.

Op deze wijze werd een prachtig monument in renaissancestijl tot stand gebracht.

Een tweede bouwfase (1668)

Om ons een beeld te vormen van deze bouwfase, honderd jaar na de eerste, nemen we best plaats op de stoep van de Naamsestraat, tegenover het gebouw.

Oorspronkelijk stond er dus alleen een gotische ridderwoning, die terug te vinden is in het midden van het rechtse deel: let op de verticale naden in de voorgevel, zij verraden de plaatsen waar eraan gebouw werd tegen de oorspronkelijke woning. De ridderwoning was een dwarswoning. De gevel aan de straatzijde werd bekroond met een trapgevel. Tegen dat gebouw werd in de vorige fase zowel links als rechts aangebouwd.

In de tweede bouwfase werden aanpassingen aangebracht aan de dakstructuur en werden trapgevels weg genomen. Waarschijnlijk waren er vochtproblemen.

Het meest opvallende element in de voorgevel is het poortrisaliet, de versiering van de hoofdingang. Het risaliet wordt gevormd door een drievoudige opeenstapeling van elementen uit de renaissancestijl. De indruk die men opdoet, dat het risaliet achteraf aan de voorgevel werd toegevoegd, werd bevestigd door peilingen diebij de restauratie aan de binnenzijde van het gebouw werden uitgevoerd.

Opvallend is dat de tekenaar voor het werk van Gramaye, toen hij in 1606 het gebouw tekende, blijkbaar een andere versiering van de hoofdingang zag.

Afbeelding verwijderd.Nog opvallender is dat in het midden van het huidige risaliet, in het rondbogige fronton, in een mooie cartouche, het jaartal 1668 gebeiteld staat, en niet 1569. Zou het huidige risaliet niet het originele zijn?

De voorgevel zelf is voorzien van mooie kruisvensters met dubbele ontlastingsboogjes, terwijl de gevel, door het doortrekken van de waterlijst, als het ware in twee gesneden wordt.

Door deze aanpassingen neigde de bouwmeester opnieuw naar een gotische gevel en niet naar een barokke, hetgeen op het moment van de verbouwing zeer voor de hand liggend zou geweest zijn. Hij heeft er blijkbaar voor gekozen het geheel aan te passen aan de stijl van het oudste deel, de gotische ridderwoning.

De merkel van de ingangspoort doet spontaan denken aan het torentje van de kapel. Men ziet bovenaan drie boven mekaar gestapelde koepels, waaronder een beeld van de H. Petrus, de patroonheilige van de stichter. Daaronder staat een beeld van de heilige Paulus en nog lager staat een figuur die het wapenschild houdt van de familie Van Dale: een wildeman, half afgebeeld, die een knots en een schild (niet meer zo goed zichtbaar) houdt, stijgend uit een (azuren)veld, bezaaid met drie (gouden) sterren. De hierbij horende familieleuze luidde: 'Laet (de knots en het schild) niet daelen'.

Het oorspronkelijke slot van de poort is mooi versierd smeedwerk uit de eerste bouwperiode.

Een derde bouwfase (1733)

Heel het gebouw door zijn er sporen te vinden van verbouwingen van de eerste helft van de 18e eeuw, ditmaal in rococostijl. Onder invloed van de Oostenrijkse Habsburgers doet de Lodewijk XV-stijl (rococo) zijn intrede in het college.

Algemeen kan gezegd worden dat bij deze gelegenheid mooi stukwerk aangebracht werd tegen de meeste zolderingen, waarbij de oude gotische bepleistering bedekt werd met een meer effen plafond.

Een ander aspect van de verbouwingen uit deze periode is het aanbrengen van sierlijke schouwen en allerlei muurdecoratie en schilderijen, die een specifieke studie op zichzelf zouden kunnen vormen. In één lokaal muurdecoraties aangebracht in rococostijl, waardoor er grote gelijkenis ontstond met de presidentswoning.

De presidentswoning

Nog indrukwekkender is de bouw van een afzonderlijke woning in de tuin van het college, bedoeld als verblijf voor de president. Hier staan we voor een harmonieuze, rijk versierde woning in erg verfijnde Lodewijk XV-stijl. De woning is bijzonder knap geïntegreerd in het geheel. Nochtans, onverwacht en merkwaardig genoeg, is de achterkant, dus de tuinzijde, mooier en harmonieuzer dan de voorkant (of was die bedoeld als voorkant?).

Ook het interieur was opvallend mooi. Jammer dat het niet volledig gerestaureerd kon worden. De deuren, de schouwen, het verfijnde en fris versierde plafond, de muren oorspronkelijk bekleed met beschilderd linnen, waren elementen die in perfecte harmonie waren met elkaar en het gebouw en bijzondere grandeur gaven.

De regence-waterpomp (1715-1723) op de tweede binnenkoer, vlak naast het koor van de kapel, draagt het meesterteken van een Antwerps steenkapper.

Een vierde bouwfase (de XIXe en XXe eeuw)

Na de opheffing van de Katholieke Universiteit te Leuven in 1797 werd de stad Leuven eigenaar van het college. In 1802 werd het officieel 'schuilplaats van Weldadigheid', waardoor het als onderkomen voor bejaarden een gans nieuwe en dubbele bestemming kreeg.

Vanaf 1802 installeerde het Weldadigheidsbureau, onder het bestuur van een zelfde directeur, hier de werkplaats voor valide behoeftigen en de 'schuilplaats' van weldadigheid.

In de werkplaats weefden de behoeftigen wol, vlas en katoen tot Leuvens laken, hetgeen bijna de helft uitmaakte van hun productie. Zij maakten ook dekens, kousen enz. Dit alles was bestemd voor de kleding en het beddegoed van de bejaarden en wezen, of om uit te delen aan armen en noodlijdenden. De schuilplaats bood onderdak aan maximum dertig invalide sukkelaars.

De classicistische waaiervormige ramen rond de eerste binnenkoer en van de kapel dateren van het begin van de 19e eeuw en kwamen zonder twijfel tot stand onder invloed van de heersende revolutionaire gedachten.

Tussen 1946 en 1965 deed het Van Dalecollege dienst als stedelijk lyceum.

In 1971 werd het opnieuw verworven door de K.U.Leuven en in 1984-86 werd het als beschermd monument gerestaureerd. Meer dan 20 jaar had het gebouw toen leeg gestaan.

Jos Dewinter, 15 oktober 2015

The Flames of Louvain

The Flames of Louvain – De universiteit van Leuven en de Eerste Wereldoorlog


Met de toelating van prof. Mark Derez
Universiteitsarchief KU Leuven

In 1914 kwam de oorlog voor velen geheel onverwacht, ‘als een sneeuwvlaag boven Bombay‘ vond men in Ieper. In Leuven was men evenmin op een conflict voorbereid, en al zeker niet op een confrontatie met de oosterburen. Aan de Leuvense universiteit waren hoogleraren onder de indruk van Duitse wetenschap en techniek en studenten in de ban van de Heidelberg-romantiek. Tijdens het wintersemester 1913-1914 hadden vaklieden uit Leipzig metalen boekenrekken gemonteerd in de universiteitsbibliotheek. De examens In juni verliepen alsof er geen vuiltje aan de lucht was. In augustus bulderden de kanonnen. Op 2 augustus legde de Duitse gezant in Brussel een geruststellende verklaring af. Hij had zijn beelden zorgvuldig gekozen: misschien zou het dak van de buurman vuur vatten maar tot het eigen huis zouden de vlammen niet geraken. Geen achtenveertig uur later stonden aan de grens de eerste dorpen in brand.

Leuven brandde op 25 augustus uit weerwraak voor vermeende sluipschutters. Het vuur woedde drie dagen. In de bibliotheek smolten de rekken. Toen de rook om de puinen was verdwenen, bleken ruim tweeduizend panden in de as gelegd en 248 inwoners om het leven gebracht. Vele honderden waren naar Duitsland op transport gesteld. De ravage was hallucinant, het relaas van de feiten ijzingwekkend. Tijdgenoten en zeker de pacifisten in het interbellum dachten dat het om gruwelsprookjes ging uit het griezelkabinet van de oorlogspropaganda. Wie de getuigenverklaringen leest, denkt zich van oorlog te hebben vergist en te zijn aanbeland in het sadistisch universum van de Tweede Wereldoorlog. Het betrof wel degelijk misdaden tegen de menselijkheid die we tegenwoordig aanhangig zouden maken bij een internationaal strafhof.

Leuven was geen alleenstaand geval. Tussen de inval van 4 augustus en het moment dat de oorlog vastliep in Flanders Fields, werden twintigduizend huizen in brand gestoken en zesduizend burgers gedood. Samen met Dinant maakt Leuven deel uit van de tragische jumelage van de zogeheten Martelaarssteden. Leuven was er alle verhoudingen in acht genomen niet eens het ergst aan toe (in Dinant werd de bevolking gedecimeerd) maar het trok wel de meeste aandacht.

Leuven was een historische stad met een universiteit die ten tijde van Erasmus spraakmakend was geweest, the Oxford of Belgium zoals The Times het omschreef. Onmiddellijk waren oorlogsverslaggevers neergestreken. (Leuven haalde de krantenkoppen wereldwijd. De ravage was bovendien in beeld gebracht, zwart op wit. Foto’s verschenen in geïllustreerde magazines in Londen en Parijs. Ze werden gereproduceerd in reeksen prentbriefkaarten die stiekem aan de man werden gebracht. De eerste ramptoeristen struinden al begin september door de puinen.

In het historische stadshart behoorden nagenoeg alle afgestookte panden tot het bouwkundig erfgoed. De echte blikvangers vormden daarenboven academisch erfgoed: de veertiende-eeuwse lakenhal die nog model zou hebben gestaan voor het Keulse stadhuis en die de Universiteitshal geworden was; het natuurkundig laboratorium met de neoklassieke portiek die nu de toegang tot museum M markeert; en het monumentale Driutiuscollege, waar nauwelijks nog een spoor van overblijft. In de negentiende-eeuwse burgerwijken gingen de herenhuizen van vijf notarissen, vijf rechters, veertien advocaten, vijftien artsen en ruim twintig hoogleraren in vlammen op, met inbegrip van hun bibliotheken en collecties, een staalkaart van eruditie en burgerlijke cultuur. Professor De Vocht vluchtte met zijn brieven van Erasmus en Thomas More terwijl de kogels hem om de oren floten.

De vernietiging van particulier bezit maakte een verpletterende indruk bij de Britse middenklasse. For All We Have and Are dichtte Rudyard Kipling met de dringende waarschuwing: The Hun is at the gate. In Carillon riep componist Edward Elgar de ruïnes van Aarschot, Dinant en Dendermonde op en Louvain rijmde er op Berlin. Kipling en Elgar waren de artistieke exponenten van het Britse imperialisme die in de brand van Leuven een argument vonden voor een rechtvaardige oorlog op het continent. De oorlog kreeg een hogelijk ethische dimensie met daarin hoog oplaaiend The Flames of Louvain (Barbara Tuchman). Leuven raakte zodanig beladen met emotie en sentiment dat in de nazomer van 1914 niet enkel Engelse boten maar ook kleine Engelse meisjes Louvain werden gedoopt.

Voor het meeste ophef in de publieke opinie zorgde de brand van de universiteitsbibliotheek op 25-26 augustus. Dat lijken omineuze data. Op 24 augustus 1870 brandde de bibliotheek van Straatsburg tijdens de Frans-Duitse oorlog en op 25 augustus 1992 die van Sarajevo, waar de tragische twintigste eeuw eindigde waar hij begon. Dat voegt een onvoorziene connotatie toe aan het beeld dat de bekende Duitse publicist Wolfgang Schivelbusch heeft gehanteerd om Leuven in 1914 te typeren, met name als het Sarajevo van de Europese intelligentsia. Door de brand van Leuven werd een wig gedreven in de Europese cultuurscène. Als een bibliotheek in lichterlaaie staat, kunnen kunstenaars en intellectuelen bezwaarlijk afzijdig blijven. Met erfgoed als inzet traden ze in het strijdperk, met een stelligheid en een hartstocht die ons nu bevreemdt. Hoogdravende vergelijkingen waren niet van de lucht: de bibliotheek van Alexandrië, Il sacco di Roma. Ze sloegen elkaar om de oren met manifesten waarin Duitse cultuur en Westerse beschaving in stelling werden gebracht.

Angelsaksische universiteiten schreven onder de titel Louvain hun verfoeiing uit. Ze werden al in oktober 1914 van antwoord gediend door drieënnegentig Duitse geleerden en kunstenaars (met klinkende namen als Röntgen, Planck, Wagner en een mooi aanbod van Nobelprijswinnaars). In hun beroemde oproep An die Kulturwelt verdedigden die zich tegen de aantijgingen van de geallieerden. Een paragraaf was integraal aan Leuven gewijd: met de dood in het hart hadden Duitse troepen de stad wel moeten beschieten als vergelding en ze hadden hun leven geriskeerd om het stadhuis te sparen. Over de bibliotheek werd met geen woord gerept. Het leek wel alsof er nog een bijkomend front was geopend voor de Krieg der Geister en alle grote geesten over elkaar heen buitelden in een clash of civilisations. Op die manier werd de oorlog ‘geframed’ als een cultuurstrijd. Leuven paste uitstekend in dit format. Temeer omdat pleitbezorgers van de Leuvense zaak de tegenstelling op de spits dreven door beschaving te laten samenvallen met het katholieke Latijnse West-Europa tegenover het Midden-Europa van de reformatie. Tot deze Kulturkampf hadden de Duitsers dan weer aanleiding gegeven door speciaal de Pfaffenuniversität van Leuven te viseren.

Inmiddels hadden de Duitsers op 19 september 1914 voor het eerst de kathedraal van Reims onder vuur genomen. Op 22 november zouden ze de Lakenhal van Ieper aan flarden schieten. Heel even werden Ieper en Leuven in één adem genoemd. Het lot van Leuven verbleekte later bij dat van Ieper dat van de kaart werd geveegd. Ieper gold na enkele monsterlijke offensieven als bewijs voor de complete zinloosheid van de oorlog. Leuven bleef samen met Reims symbool staan voor het bedreigde Europese erfgoed, en de Westerse beschaving en voor universele waarden, die net in bescherming moesten worden genomen. Zij golden als de prima donna’s onder de Martelaarssteden. Na Leuven en Reims kon de geallieerde propaganda Duitsland neerzetten als een natie van cultuurbarbaren. Toen in hun oproep aan de cultuurwereld de drieënnegentig Duitse intellectuelen aanvoerden dat zonder het Duitse militarisme de Duitse cultuur al lang van de kaart zou zijn geveegd, was het hek helemaal van de dam. Kultur werd nu een schamper slagwoord in de geallieerde propaganda. Ici finit la culture allemande stond er na de Duitse aftocht te lezen op de ruïne van de Universiteitshal.

De waarde van de verloren gegane collecties in de bibliotheek leek in de hyperbolen van de geallieerde retoriek wel eens opgeblazen. Van Duitse zijde werd ze systematisch onderschat. De symbolische betekenis kan nauwelijks worden overschat. Het tweeluik met de binnenaanzichten van de pronkzaal, vóór en na de brand, reisde op prentbriefkaarten de wereld rond. Het sorteerde overal effect: verontwaardiging en solidariteit, wat de universiteit uitstekend wist te verzilveren. Nog voor de oorlog ten einde liep waren in vijfentwintig geallieerde en neutrale landen ruim tweehonderd comité’s tot stand gekomen die geld en boeken inzamelden voor Leuven. Duitsland van zijn kant moest in uitvoering van artikel 247 van het Verdrag van Versailles voor miljoenen mark aan boekwerken leveren. Het idee om Leuven ook een nieuw bibliotheekgebouw cadeau te doen was al tijdens de oorlog gerezen in de schoot van het Institut de France maar de Fransen waren zo galant om de uitvoering en vooral de financiering ervan aan de Amerikanen over te laten. Die stalen daadwerkelijk de show met hun spectaculaire bibliotheekgebouw dat deels ook als oorlogsmonument was uitgemonsterd; alleen het infame anti-Duitse opschrift over de teutoonse furie is er nooit gekomen.

Na de brand van de nieuwe bibliotheek bij de Duitse inval in mei 1940 overwoog men opnieuw een internationale boekenslag. In 1914 was de brand van de bibliotheek een schandaal geweest; sommigen gewaagden van een holocaust. Anders dan na 1914 leek een campagne voor erfgoed nu futiel, intellectuelen namen niet langer lichtzinnig het woord beschaving in de mond en tegenover de nieuwe Holocaust verzonk een bibliotheekbrand in het niet.

Mark Derez

Literatuur:

Wolfgang Schivelbusch, Die Bibliothek von Löwen. Eine Episode aus der Zeit der Weltkriege, München-Wenen 1988

Chris Coppens, Mark Derez, Jan Roegiers (eds), Universiteitsbibliotheek Leuven 1425-2000, Leuven 2005

Alan Kramer, Dynamic of Destruction. Culture and Mass Killing in the First World War, Oxford 2007

De grootouders en hun betekenis voor kind en gezin

De grootouders en hun betekenis voor kind en gezin


Samenvatting van de voordracht op 11 maart 2014 voor Universiteit Derde Leeftijd Leuven.

Prof. Hans Van Crombrugge
HU Brussel

Volgens Kornhaber, één van de promotoren van Grandparents' Mouvement in de VS die vooral actie voert voor de erkenning van de relatie tussen grootouders en kleinkinderen bij scheiding, zijn grootouders, kinderen en kleinkinderen van elkaar vervreemd geraakt. In onze samenleving leven generaties naast elkaar. Kinderen die geen contact meer hebben met de oudere generaties, niet mogen delen in hun levenservaring, hebben geen toekomst, missen iets wat essentieel is in de opvoeding. En de samenleving valt uiteen.

Dergelijk negatief beeld is eenzijdig en ook onjuist. Uit onderzoek weten we dat grootouders en gezinnen heel actief betrokken zijn op elkaar en dat de grootste groep kleinkinderen hun grootouders frequent en regelmatig zien. 

Grootouder-zijn is een balans vinden tussen het respecteren van het recht van de gezinnen van de kinderen op autonomie en toch tegemoet komen aan de plicht en de nood aan steun voor de jonge gezinnen. Dergelijk evenwicht hebben veel grootouders gevonden in het eenvoudigweg beschikbaar zijn om, wanneer nodig, de kinderen en hun gezinnen bij te staan. Deze beschikbaarheid van de grootouders wordt beloond met affectie vanwege de kinderen en vooral de kleinkinderen waarmee ze geregeld contact hebben.

Voor de opgroeiende kinderen, maar ook voor de ouders zijn de grootouders bovendien een houvast. Grootouders kunnen de kinderen opvangen en de nodige rust verzekeren, zij kunnen raad geven vanuit hun levenservaring, indien daarom gevraagd wordt, zij kunnen bemiddelen tussen de gezinsleden.

Vanuit onderzoek weten we dat grootouders deze rol ook opnemen. Grootouders zijn in vele gevallen een houvast in tijden van grote onzekerheid en ingrijpende veranderingen in de gezinnen. Ze zijn de toeverlaat voor hun gehuwde kinderen, maar vooral voor hun kleinkinderen. Grootouders verzekeren de rust, de kalmte, betrouwbaarheid, de stabiliteit, de geborgenheid, de privacy en al die andere relationele kwaliteiten die zo waardevol geacht worden voor het groot-worden en welzijn van de mens en die traditioneel door het gezin verzekerd werden.

Uiteindelijk kunnen grootouders evenwel de ouders niet vervangen. Vooral onderzoek naar de reorganisatie van de relaties tussen grootouders, ouders en kleinkinderen is erg duidelijk in deze. Op het moment van het uiteengaan van de ouders, is het goed dat het kleinkind kan terugvallen op grootouders die tijdelijk het merendeel van de ouderlijke rollen op zich nemen. De partners hebben trouwens weinig tijd en energie over om in de relatie met het kind te steken en dat

Juist op een moment dat het kind zelf nood heeft aan extra aandacht en zorg. Grootouders kunnen dit geven. Ook al is dat laatste ook niet steeds evident: grootouders zitten vaak zelf ook in een crisis als de kinderen scheiden. Niet alleen is er het verdriet om het uiteengaan, maar ook de angst om wat komen gaat: zullen ze de kleinkinderen nog kunnen zien? Op lange termijn zijn de kleinkinderen het meest gebaat met grootouders die opnieuw alleen grootouders zijn.

De ouder(s) moeten zoveel mogelijk een kerngezin met het kind vormen en de ouderlijke zorg opnemen. In het geval dat bijvoorbeeld grootvader de rol van de afwezige vader gaat overnemen, zien we meer aanpassingsproblemen bij kind en kleinkind. Kleinkinderen verliezen in dat geval niet alleen een vader, maar ook nog eens de grootvader.

Wij mogen grootouders evenwel ook niet idealiseren en overvragen. Grootouders zijn op de eerste plaats mensen. De grootouders zijn beschikbaar, ze zijn gewoon aanwezig, als concrete mensen waarop andere mensen beroep kunnen doen. Zoals een van de kleinkinderen in een onderzoek ooit verwoordde: "mijn grootouders zijn niet mijn ouders, maar het is toch familie; mijn oma is mijn oma en mijn opa mijn opa en dat is het."

De betekenis van de grootouders is vooral deze van het 'er zijn' in een wereld van actie. Ze zijn concrete symbolen van verbondenheid tussen en over verschillende levens heen, verbindingen met onbekende verledens, hun aanwezigheid geeft verbondenheid en continuïteit.

In hun tegenwoordig-zijn verwijzen de grootouders op specifieke wijze naar het verleden en zo naar de toekomst. Het verleden waar ze voor staan is niet zozeer de 'goede oude tijd', noch de levenswijsheid, het weten wat werkelijk waardevol is door levenservaring. Ze staan immers niet boven of naast de tegenwoordige tijd, maar zijn juist hier en nu aanwezig als concrete levende mensen.

Ze zijn het levende bewijs dat het leven leefbaar is, dat het mogelijk is moeilijkheden en hindernissen te overleven. Door het feit van hun aanwezigheid geven ze reeds een bepaalde zekerheid, m.n. dat innerlijke en uiterlijke veranderingen, hoe overweldigend ze op het moment zelf ook mogen schijnen, te verdragen en te verwerken zijn.

(registratie website: Jef Wouters 23 april 2014)

Borderline times

Borderline times


Meer dan 120 clubleden volgden in oktober de ongemeen boeiende voordracht van psychiater De Wachter over zijn boek ‘Borderline times, het einde van de normaliteit’.

Inmiddels beleeft dit boek, dat anderhalf jaar geleden uitkwam, reeds zijn 20ste druk.Afbeelding verwijderd.

Hij zelf zegt over zijn boek: “Ik denk dat dit boek een spiegel voorhoudt die bij haast iedereen hard aankomt, psychotici en psychopaten uitgezonderd”.

De Wachter begint zijn boek met een citaat van de schrijver Arnon Grunberg: “Als je jong bent, denk je dat er normale mensen bestaan. Later kom je erachter dat dit onzin is, dat er geen normale mensen bestaan. Er bestaan alleen patiënten. Sommige patiënten weten zich staande te houden ten koste van andere patiënten en die noemen we daarom geen patiënten. Die noemen we geslaagd”.

Enkele citaten:
- Achter het masker van succes vind je bij gezonde en geslaagde mensen ook de eenzaamheid en de angst om alleen te zijn.
- In onze maatschappij is eenzaamheid een gigantisch en nog groeiend probleem, o.m. door het wegvallen van sociale netwerken en toenemende relationele instabiliteit.
- Psychiatrische aandoeningen weerspiegelen de tijdsgeest. Vijftig jaar terug kende niemand borderline, maar vandaag is het de meest gestelde diagnose in de psychiatrie: een symptoom van een maatschappij waarin de ratrace regeert en waarin vrijheid, genot, succes en kicks het hoogst na te streven goed zijn. 
Afbeelding verwijderd.- Gewone levensverschijnselen worden steeds vaker gepsychiatriseerd. Onze maatschappij kent de tirannie van het geluk. Zomaar goed is niet genoeg, en we lijken er niet tegen bestand als dit niet zo is. We moeten onze kinderen leren dat af en toe een beetje ongelukkig zijn bij het leven hoort, en dat je daarvoor niet naar de psychiater hoeft te gaan.
- Ik denk dat dit boek een spiegel voorhoudt die haast bij iedereen hard aankomt. Het is een analyse van de wereld die niet vrolijk stemt.

En De Wachter besluit: “Ik wil de lezer niet in volledige wanhoop achterlaten, en ga op het einde van mijn boek in op ‘la petite bonté’ van mijn voorkeursfilosoof Levinas: Licht in de duisternis zal moeten komen van de vele kleine initiatieven en van hechting, engagement, solidariteit en gemeenschapszin. We moeten proberen om weerwerk te bieden aan de dreigende verbrokkeling, impulsiviteit en zinloosheid. Overal zijn scheurtjes, en het is langs waar het licht binnendringt”.

Dit boek is een absolute must! Uitgegeven bij Lannoo Campus, ISBN 978 90 209 9676 0.

Paul Bessemans, 3 november 2013