Overslaan en naar de inhoud gaan
Tweemaandelijks woordje van het pastoraal team

On(t)macht

On(t)macht


Enige tijd geleden kreeg ik van een vriendin een tekst onder ogen. Dit moet je eens lezen zei ze. Ik kreeg deze tekst van mijn collega, toen ik als pastor pas begon te werken op mijn nieuwe plek. Ik las toen die tekst, uit beleefdheid, en vond het maar niets. Ik was nog jong en ik zou de wereld veranderen. Ik legde hem dus in de schuif van mijn bureau. Ik had hem dus niet weg gegooid. En nu na zoveel jaren duikt hij opeens weer op en hier ligt hij nu voor mij. En ja de jaren en het leven hebben hun werk gedaan en hebben mij grondig veranderd. Want zo gaat dat in het leven… veel ervaringen, veel ontmoetingen met mensen in allerlei omstandigheden. En je ziet het in jezelf en bij de anderen.

Er zijn zoveel tegenstellingen in mij en wellicht in elk van ons: kwetsbaar en onkwetsbaar, aanraakbaar en onaanraakbaar, gesloten en open, macht en onmacht, hard en zacht, moedig en moedeloos en ga zo maar door… en de twee tegengestelden zijn meestal allebei in onszelf aanwezig.

Maar gaandeweg heb ik toch wel ontdekt wat van de twee verbinding maakt en wat niet, wat mensen in relatie brengt met elkaar en wat niet. Het rare is dat het niet de waarden zijn van kracht en macht en competitie en meedogenloze concurrentie (waar toch heel onze wereld rond draait) maar eerder de kleinheid, de zwakte en de onmacht zijn en de kwetsbaarheid, van de een voor de ander, die het samen-leven opbouwen. Als je die kunt zien en laat zien kan er ontmoeting ontstaan en zorg en solidariteit en vriendschap en verbondenheid. Het heeft veel meer met onmacht te maken dan met macht. Of moet ik zeggen laat ons maar on(t)macht (wars van elke macht) zijn voor elkaar, de een voor de ander.

En nu laat ik jullie de tekst lezen die mij toch wel heel sterk geraakt heeft.
Ik geef hem graag aan jullie door, zoals ik hem gekregen heb.


Broeder onmacht (Herman Verbeek)

onverwacht gekomen,
groter, veel groter dan ik dacht
zonder kloppen, zonder sleutel
stond jij in mijn huis

keerde mijn gezicht af nog eens
ik wilde jou niet zien
altijd sterk geweest en nog wel
dit. is míjn huis, ga

maar jij bent gebleven zwijgend
ik moest toch iets met jou
nam jouop met dwarse ogen
wilde wel gesprek

luisterde een nacht lang, nachten
je deerde me steeds meer
gaf mij zomaar niet gewonnen
tot ik jou begreep

mooie namen wist ik jongen
jij bent een engel jij
vriend en bondgenoot en raadsman
broeder onmacht dag

wat het was ik leerde langzaam
de verste weg te gaan
zijn met zoveel. Machtelozen
jij bracht ze bij mij

vrouwen mannen allerkleinsten
hier bèn ik, hier ben ík
mag ik samen verder met je
wie is tegen ons


Willy Staessens, 2 mei 2019

Alleen langs deze kant groeien er bloemekes…

Spiritualiteit april 2019


Alleen langs deze kant groeien er bloemekes…

Mijn vader was een verstandig en nuchter man, hij was niet zo lang naar school geweest. Hij kreeg de kans niet omdat hij als oudste mee moest zorgen dat er brood op de plank kwam. Als jonge snaak heb ik vaak met hem geworsteld om mezelf te kunnen worden, maar nu besef ik dat ik hem ook heel erg bewonderd heb en naar hem heb opgekeken. En héél veel van hem geleerd heb. Niet uit de boeken wel uit het leven. Levenswijsheid heten ze dat. Hij stimuleerde ons, eiste veel en het was zelden goed genoeg (zoals dat wel vaker gebeurde in die tijd). Maar hij vertelde ook heel veel, verhalen van vroeger en nu. Het was een soort kennisoverdracht van de vorige generatie aan de volgende. Is dat niet wat wij ‘traditie’ noemen? Traditie komt van het Latijnse ‘tradere’ overdragen ‘traditio’. Als ik daar nu op terug kijk, denk ik soms dat hij een soort Oud-Testamentische patriarch was. Die ons heel wat boerenwijsheden voorhield en voorleefde. Manneke zei hij soms vertederd… als we onze wildste of grootse dromen uitspraken: ‘doe dat maar, dan doe je ondertussen geen ander kwaad…’ of nog ‘het gras aan de andere kant is altijd groener aan de andere kant, maar alleen aan deze kant groeien er bloemekes’ maar ge moet wel goed kijken! ‘Maar je moet goed kijken om te kunnen zien… en dan zal je het misschien wel inzien.’

Als je wat ouder wordt, kijk je al eens terug op je leven en hoe het geworden is. Het zijn enkele gedachten die bij mij opkwamen toen ik enkele dagen geleden dit prachtig Chassidisch verhaal nog eens onder ogen kreeg, dat ik graag met jullie wil delen.

In Praag, in de arme joodse wijk, woonde een man die zeer leed onder het feit, dat zijn gemeente zelfs geen gebedshuis kon bouwen. Op zekere nacht droomde hij: een man verscheen hem, en zei dat hij moest gaan graven onder de grote brug in de stad. Daar zou hij een schat vinden die alle moeilijkheden kon oplossen. De man werd 's morgens wakker, en nu pas besefte hij hoe sterk hij wel gedrukt ging onder de armoede van zijn hele buurt. Maar de droom kwam terug, een tweede keer, een derde keer. Toen besefte de man dat het geen gewone droom was, maar een teken dat hem van boven werd gegeven, een opdracht.

De grote brug in Praag werd streng bewaakt, en zonder speciale pas kon men er niet over. Soldaten bewaakten alle toegangen. Vruchteloos probeerde de arme jood om toch ongezien bij de brug te geraken. Iedere dag ging hij terug, tot de soldaten, die hem al langer hadden opgemerkt, ingrepen en hem bij de commandant brachten. Die wilde weten waarom hij al dagenlang rondsloop. Tenslotte vertelde de jood over zijn droom. De commandant moest hartelijk lachen. 'Ach beste man, zei hij, wat er hapert weet ik niet, maar ik raad je aan eens flink te eten, languit te slapen, en dan ben je die hersenschim wel kwijt. Maar laat je hier niet meer zien'. De jood wilde reeds buitengaan, toen de commandant vriendelijk zei: 'Kijk eens, beste man, dromen zijn nu eenmaal bedrog. Voor een paar nachten nog had ik ook een droom. Er kwam een man naar mij toe, en sprak: Ga naar het huis van de jood Jakob Eisner, neem de haardplaat weg, graaf en je zult een grote goudschat vinden. Zeg nu zelf: de helft van alle joden heten Jakob, en er zijn meer dan tweehonderd families Eisner in Praag.' En Jakob Eisner ging naar huis. Hij nam de haardplaat weg, groef en vond inderdaad een goudschat. Met dat geld werd een bedehuis gebouwd dat naar hem genoemd werd.


Willy Staessens

Homilie E.H. Jacques Peters

Homilie E.H. Jacques Peters


Het gebeurt niet alle dagen dat je als priester een medepriester begraaft. En dan helemaal niet op deze manier: met een leeftijdsverschil van bijna 60 jaar. Misschien zou Jacques erom glimlachen: omdat de roepingencrisis in de kerk hem soms bezig hield, en het dan wel wat heeft als het, tegen alle verwachting in, juist een jongere priester is die de oude priester begraaft.

Priester, pastor. Dat zat diep bij Jacques. Uit de verhalen heb ik die indruk toch gekregen. Een man die ’s morgens vroeg de mis deed, ook tijdens zijn professor-schap, ook als hij op Afbeelding verwijderd.vakantie was. Dan ging hij kennis maken met de pastoor ter plaats, en vroeg hij of hij kon helpen met de missen. Hij was betrokken bij veel van de dopen in de familie, en bij allerlei huwelijken. Hij heeft veranderingen meegemaakt in de kerk, met name door het Tweede Vaticaans Concilie in de jaren ‘60. Van een puur Latijnssprekende kerk waarin de priester op een voetstuk stond veranderde kerk in een kerk die dichter bij de mensen wilde staan, door de volkstaal te gebruiken, bijvoorbeeld; maar de verhoopte vernieuwing van het gelovige leven bleef feitelijk uit. Jacques had dan ook wat reserves bij het concilie. Het is jammer dat ik hem niet ontmoet heb, dacht ik gisteren, toen we het erover hadden, want dan had ik er graag met hem over doorgepraat.

Jacques de priester was echter geen kwezel, wel integendeel. Hij was een man van de wereld. Soms, als ik boodschappen ga doen, of als ik de deur uit ga om college te geven, dan zeg ik tegen huisgenoten voor de grap ‘ik ga de wereld in’. Jacques was helemaal van die wereld, van de wereld buiten de studeerkamer, buiten de kapel. Hij reisde graag. Conferenties aan deze kant van de oceaan of de andere kant, hij ging graag. Of reisjes naar Londen of Parijs met neven en nichten of, waarom ook niet, de generatie daarna. Jacques hield van mensen, en had een grote kring om zich heen. Daaronder ook een kring van wetenschappelijke collega’s. Hij hield van zijn vak, hij toonde graag het ‘labo’. Jacques was een topwetenschapper, en had eredoctoraten ontvangen van meerdere universiteiten; ook had hij de prestigieuze Georg Schlesinger ontvangen. Hij vond het fijn dat ook op de rouwkaart te laten blijken; niet om mee te pronken, zo werd mij gisteren uitgelegd, maar om te laten zien dat geloof niet is voor zwakke lieden die niets beters te doen hebben, of die niets beters te denken hebben. Nee, geloven kan best samengaan met harde wetenschap. Maar ook daar, in de wetenschap, had hij een pastorale, een sociaal kant; zo zette hij zich in voor een faculteit wetenschappen in Indonesië, en heeft hij een Burundese vluchteling geholpen met de kosten van de studies.

Beste mensen, Jacques behoorde dus tot twee werelden: die van het priesterschap, en die van de wetenschap; die het gebed, en die van de ontmoetingen met mensen; die van de ziel en die van het verstand; die van de binnenkant, en die van de buitenkant.

De laatste tijd werd duidelijk dat hij nog op twee manieren tot twee werelden behoorde. De lezingen helpen om dat te zien. Het zijn de lezingen van de woensdag dat hij overleden is; die leken de familie eigenlijk heel erg passen bij Jacques. Voor een groot deel van zijn leven was Jacques de sterke man waarover het ging in de eerste lezing. De eerste lezing sprak daarover in gelovige termen; de kracht werd toegekend aan God. ‘Ceux qui mettent leur espérance dans le Seigneur trouvent des forces nouvelles; ils déploient comme des ailes d’aigles, ils courent sans se lasser, ils marchent sans se fatiguer’. Dat was Jacques. Zeker, hij leidde een gedisciplineerd leven, met regelmaat, met matigheid, met sport – maar bovenal was hij een sterke man: fysiek sterk ; intellectueel sterk; relationeel sterk. Ook gelovig sterk. Wat zijn geloof precies was, hoe hij dat deed, gelovig zijn, daar vertelde hij niet zoveel over; maar het was heel sterk. Hij was, zoals Benoit het zei, ‘imperturbable dans la fidélité à ses voeux de pretrise, dans une église en tourmente’.

Dat was de ene wereld. De andere wereld, daar maakte hij veel later kennis mee : de wereld van zwakte, van beperking. Hij kreeg een longontsteking, brak z’n been, en krabbelde wel weer op, maar op het einde kon hij bijvoorbeeld niet meer spreken. Het is op die momenten dat de uitnodiging in het evangelie sterk relevant wordt. ‘Venez à moi, vous tous qui peinez sous le poids du fardeau, et moi, je vous procurerai le repos. Je suis doux et humble de cœur, et vous trouverez le repos pour votre âme’. Was het daarom dat hij in vrede was, ook in de laatste periode? Daarvan getuigde u, Benoit. ‘Je n’ai jamais vu de découragement, de faiblesse, de révolte’. Was dat omdat hij zich aan God toevertrouwde.

We zullen het niet weten, want daar sprak hij niet zo over. Misschien maakt het ook niet uit. Misschien volstaat het dat we hem hier gedenken, met die grote en sterke kant, als de ‘aigle qui déploie ses ailes’, en als de man die ook z’n kwetsbaarheid had.

Het zou ons een troost mogen zijn dat voor God beide goed zijn : God verheugt zich in onze sterkte, in onze talenten. En als we niet zo sterk zijn, maar eerder kwetsbaar, aan het einde van ons leven, of al eerder,dat is Hem ook goed, dan nodigt hij ons uit tot spirituele rust in hem.

Laten we een moment stil zijn om te mijmeren over Jacques, over het evangelie, over zijn leven, over ons leven.

Jos Moons SJ
Pastor Universitaire Parochie

Mee leren leven, had de dokter gezegd.

Spiritualiteit november 2018


Mee leren leven, had de dokter gezegd.

Het was een mooie nazomer dat jaar. Hij was nu al bijna een half jaar thuis. Gans de lente en zomer was hij niet buiten geweest. Ja, hooguit enkele keren tot op het terras. Hij had dan van ver eens naar de tuin gekeken. Niet dat hij zich moeilijk kon verplaatsen of niet veel buiten mocht gaan; het ging hem gewoon niet. Die dag op het einde van maart had hem eigenlijk alle moed ontnomen. Het was alsof er een diepe duisternis was gevallen over zijn huis, zijn leven, hem zelf. Hoe fel de zon ook scheen, het was alsof bij hem geen enkele straal meer binnen kon "Mee leren leven", had de dokter gezegd en, "werk-onbekwaam voor altijd". Hij moest op dat moment nog 32 worden en was bezig aan een mooie carrière. Men had hem al enkele keren duidelijk laten verstaan dat het bedrijf op hem rekende voor de toekomst. Bevordering en uitbreiding van verantwoordelijkheid waren daar een concrete bevestiging van. Zijn vrouw beleefde dat alles intens met hem mee. Samen droomden ze van een mooie toekomst voor hen beiden en hun twee zoontjes.

En dan kwam die onherroepelijke uitspraak tengevolge van een ongeneeslijke ziekte. "Wat is het leven nu nog waard?" klonk het herhaaldelijk in zijn hoofd, "wie ben ik nu nog, wat kan ik mijn kinderen nog bieden? Hoe zullen zij ooit nog naar mij kunnen opkijken? "Die pijnlijke vragen en alle gedachten daar omheen waren oorzaak van zijn moedeloosheid. 's Morgens vond hij geen reden om op te staan en 's avonds was hij bang dat hij ook die nacht weer de slaap niet zou vatten. Hij voelde zich moe en uitgeput.

Maar die septembermorgen lag naast zijn ontbijt een briefje. Of hij de bloemen op het terras wilde begieten, want dat had zijn vrouw niet meer kunnen doen voor ze werken ging. Het duurde wel even eer hij er de moed voor had. En uiteindelijk was hij bij de bloemen nog voor het goed tot hem doordrong. Hij keek ernaar en plukte hier en daar, bijna routinematig, een dor blaadje weg. Ze stonden nu zo kleurrijk en zo fris, alsof ze naar hem keken en hem een fijne dag toewensten. Zo had hij nooit eerder een bloem bekeken. Nooit had hij daar eigenlijk bij stil gestaan. En tot zijn eigen verwondering was hij er nu door geboeid en genoot er zelfs van. Hij ging wat verder de tuin in en begon hier en daar wat onkruid uit te trekken en wat bloemen en plantjes te verzorgen. Zeker een uur was hij daarmee bezig geweest. En toen zijn vrouw in de namiddag thuis kwam, vond ze hem op het terras met een glimlacht op zijn gezicht, turend over het weiland achter hun huis.

's Avonds zei hij haar dat ze de volgende ochtend de afwas mocht laten staan en hij vroeg haar welke groenten hij 's anderendaags moest schoonmaken voor de maaltijd. De volgende dag en de dagen daarop stond hij 's morgens met haar op, wuifde haar en hun zoontjes uit als ze vertrokken, en genoot van het licht werk in de tuin en kleine karweitjes in huis. Hij liet zijn creatieve geest werken in de keuken en nam het zijn vrouw niet meer kwalijk dat zij buitenhuis ging werken, terwijl hij huisman geworden was.

Willy Staessens, 5 november 2018

Kom hier, dat ik je kan oprapen

Spiritualiteit februari 2018


Kom hier, dat ik je kan oprapen!

Toen ik een peuter van een jaar of drie was, gebeurde het wel eens dat ik bij een te haastige stap of een ongelukkige poging om mijn pas te versnellen, pardoes door de knieën ging. Niet omdat ik iets gebroken had of erge pijn leed, kon ik niet zelf weer op de been. Maar gewoon van de schrik geraakte ik niet op.

Misschien was het zelfs dat niet. Ik speelde veeleer de hulpeloze sukkel, zoals het een peuter past. Een peuter met een zere knie wil immers getroost worden. Daarom wilde ik niet opstaan. Om opgeraapt te kunnen worden. Door mijn moeder. Wie anders? Mijn moeder had natuurlijk mijn theaterstukje door. Ze had er dan ook het volgende op gevonden.

Ze kwam één stapje dichterbij en bleef dan stilstaan op enkele meter van me. Dan zei ze, ernstig kijkend maar met een glimlach om de mond: “Kom hier, jongen, dat ik je opraap!” Terstond krabbelde ik recht en ging voor haar voeten weer op de grond liggen. De woorden “dat ik je opraap” waren de reden dat ik het “kom hier” kon uitvoeren. Ze haalden me bovenal uit mijn neiging om wat was gebeurd belangrijker te vinden dan wat komen zou.

Het belangrijkste van die vaak herhaalde scène was dat ik telkenmale zelf op zou staan, al legde ik me daarna weer neer. Voor de voeten van mijn moeder althans. Ik was immers opgestaan omdat zij het had gezegd, zij die me liefhad en altijd troosten zou. Als ik daar behoefte aan had of zin in had. En dat had ik.

De uitnodiging van mijn moeder om op te staan gaf me kracht. Maar precies omdat erop volgde: “Dat ik je opraap.” Zelf opstaan om opgeraapt te worden. Dat is de dynamiek van het christelijke geloof: God is troost, maar wij zijn verantwoordelijk voor ons leven. We hebben een God die ons wil oprapen uit onze ellende of uit onze behoefte aan troost, maar geen God die onze verantwoordelijkheid voor ons leven overneemt.

De hele evangelische boodschap zit trouwens gevat tussen oproepen tot ‘opstaan’. “Sta op en vlucht met het kind”, zo klinken de woorden van Godswege tot Jozef op het einde van het kerstverhaal. Eigenlijk begint het verhaal hier pas echt: met niet bij de pakken neer te zitten. Christus’ boodschap van verlossing eindigt en wordt volbracht met zijn opstanding uit het graf. Met Pasen. Daarna pas volgt ons verhaal, dat van de Kerk. Met Pinksteren.

Tussen het opstaan vóór de vlucht en de opstanding na de dood zien we in de evangeliën Jezus vaker mensen oproepen om op te staan. Zes keer lezen we het woord van Jezus: “Sta op!” Het helende, genezende woord dat iemand weer kracht geeft, zodat hij op kan staan. Het is het woord dat de Heer ook tot ons richt. Zijn troost begint met een oproep om zelf op te staan en om ons te begeven in zijn richting.

„Sta op, dat ik je kan oprapen”, zijn heilbrengende woorden. Woorden van verzoening en woorden van hoop. Woorden geboren uit barmhartigheid zijn woorden die sterken. Het zijn geen woorden die je tot jezelf kunt richten. Het zijn woorden die je worden toegesproken. Als een zachte hand die je ophelpt. Kom hier, dat ik je kan oprapen!


Mark Van de Voorde

Wegen naar vrede

Spiritualiteit februari 2018


Wegen naar vrede

De inwoners van Gubbio, een dorpje in Italië, waren trotse, om niet te zeggen hovaardige mensen. Hun dorp was kraaknet: de straten waren geveegd, de muren helder witgekalkt, de felrode dakpannen afgewassen, de ouderen gelukkig, de kinderen braaf, hun ouders harde werkers. Gubbio lag tegen de bergflank aan en de dorpelingen keken minachtend neer op de dorpjes in de vlakte. Ze vonden 'de mensen van beneden' vuil en slordig en hadden liever geen omgang met hen.

Op een nacht sloop een schaduw Gubbio binnen en verslond twee dorpsbewoners. Ontsteltenis overviel de bevolking. Twee koene kerels boden zich aan om het monster te gaan doden. Gewapend met hun zwaard wachtten ze het vastberaden op. De volgende ochtend vond men hun verscheurde lichamen.

Algemene paniek. Het moest gaan om een wolf die 's nachts in de straten van het dorp rondzwierf. De dorpsraad besloot een beroep te doen op een heilige waarvan de mare ging dat hij met dieren kon praten. Zo zouden ze het monster wel kwijtraken. Die heilige was niemand minder dan Franciscus van Assisi. Ze stuurden een afvaardiging naar hem toe om hem te smeken de wilde wolf voor immer uit hun vreedzame dorpje te verjagen.

De hele groep toog naar het dorp. Bij een kruispunt nam de heilige een andere weg dan de afgevaardigden. Hij drong diep in het woud door om in die woestenij met het wilde beest te gaan praten.

De volgende ochtend kwamen alle dorpelingen op de marktplaats samen. Toen Franciscus op zich liet wachten, werden ze ongeduldig. Toen ze hem eindelijk uit het woud te voorschijn zagen komen, begonnen ze allen van vreugde  door elkaar te roepen. De heilige baande zich langzaam een weg door de menigte, tot bij de bronput, ging op de putrand staan en sprak zijn gehoor als volgt toe: 'Mensen van Gubbio, geef jullie wolf te eten!' Dat was alles. Hij klom weer naar beneden en ging heen.

Dat zinde de inwoners van Gubbio niet. Ze waren boos op Sint-Franciscus. Hun angst voor de wolf maakte plaats voor ontgoocheling en toorn. Zo'n heilige was voor niets goed! Zodra ze echter van hun eerste verrassing bekomen waren, kwamen ze tot bezinning. Ze gaven een dorpeling de opdracht nog die avond voor zijn deur een lamsbout neer te leggen. De volgende avond kreeg iemand anders die opdracht, enzovoort.

Sindsdien heeft de wolf geen enkele inwoner van Gubbio meer opgevreten. Het leven hernam zijn normale gang. En de mensen leerden van het voorval. Ze werden wijzer. Ze keken nu niet meer hooghartig en misprijzend op de bewoners van de vlakte neer. Nu er in hun mooie dorp een wolf rondwaarde, waren ze heelwat nederiger geworden.

De vijand in mij liefhebben

Op een sabbat ging de zoon van een rabbijn bidden in een andere synagoge dan die van zijn vader. Toen hij weer thuiskwam, vroeg zijn vader hem: 'Wel, zoon, heb je iets nieuws geleerd?’ ‘Ja, natuurlijk', antwoordde de zoon. Lichtjes gekrenkt in zijn rabbijnentrots vroeg de vader, bitser dan hij zelf wilde: 'En wat leren ze daar dan wel’? ‘Heb je vijand Lief', antwoordde de zoon. Dat liet de vader niet over zich gaan: 'Wat is daar zo nieuw aan? Dat verkondig ik toch ook?' Waarop de zoon, wat ondersteboven, antwoordde: 'Ze hebben mij geleerd de vijand lief te hebben die in mij woont, en daar ben ik altijd zo tegen tekeergegaan!'

Je schaduw omhelzen

Je schaduw herkennen. Ik ben niet ik
Ik ben degene die naast mij loopt en die ik niet zie
Bij wie ik soms langsga, en die ik op andere ogenblikken uit het oog verlies
Die mij vergeeft als ik aan het snoepen ga.
Die in de wijde natuur rondzwerft als ik binnen ben.
Die zwijgt als ik spreek.
Die staande zal blijven als ik sterf.


Willy Staessens, 10 februari 2018

Waarom doen wij het?

Spiritualiteit april 2018


Waarom doen wij het?

Het is mijn beurt om een spiritualiteitsartikeltje te schrijven voor het clubblad. Maar waarover moet ik het hebben? En ik maar denken en zoeken naar een geschikt onderwerp… En dan hoorde ik ineens een ziekenwagen die met volle sirene door de stad reed….  Een mens dus in volle haast om een ander mens te helpen!  Waar haalt hij die kracht, die inzet?   Of overdrijf ik?  Misschien doet hij het alleen moetens om zijn kost te verdienen. Of toch niet?

Neen, ik ken toch vele gevallen van zorg, van medeleven, van opoffering.  En niet alleen van beroepsverpleegkundigen of brandweermannen of zwembadredders….maar ook van ouders voor hun kinderen, van grootouders, van buren, van echtgenoten, van geliefden.  En ook van onbekenden die iemand in nood aantreffen, of die zieken of eenzamen opzoeken om ze tot steun te zijn… Wat bezielt deze mensen om goed te doen?

Men kan zeggen: het is hun natuur, maar wat dan, als zij het niet doen?   Ja, het behoort tot hun natuur, maar omdat het langs deze wegen is, dat God in die mensen werkzaam is.  Ook al weten zij het zelf niet, want niet alle hulpverleners zijn gelovigen, maar ze zijn wel door God geschapen én als medemens geschapen.  En in hun bijstand ontdekken zij dat er iets is dat hen overstijgt, dat hen verbindt met de medemens, dat in hun hart leeft en dat je“liefde” kunt noemen.  En je bent vrij daarop in te spelen.  Maar als je gelovig bent, weet je dat het je plicht is.  Ja ook als je je eigen beperktheden ervaart - of als de goesting u bekruipt om met een bepaalde bijstand op te houden - voel je je verplicht en vraag je Gods hulp om vol te houden, want dan weet je dat je één bent met God die juist liefde is en vader/moeder van alle liefde.  Hij zegent je dan ook als je in zijn liefde wil delen, ja Hij maakt je gelukkig als je iemand helpt.

Danken wij God dan ook om zijn aanwezigheid in ons bestaan en doen, en vragen wij Hem dat zijn geest ons bezielt om met onze medemensen te handelen zoals Hij dat wil.  En we zullen gelukkig zijn!


Joris Backeljauw o.p.

Een bron raak nooit leeg...

Spiritualiteit oktober 2017


Een bron raakt nooit leeg...

Water leeft en heeft een richting. Het zoekt een weg en wil niet weten van de hardheid van een steen. Geduldig, zacht streelt het eindeloos opnieuw zijn vorm uit. Zo is de Geest, als levend water. Hij breekt uit en wil niet weten van de hardheid van de steen. (Erik Galle)

Met poëzie zeg je de dingen dichter en tegelijk gevuld met kracht, met zeggingskracht. Ik bleef bij deze tekst verwijlen en landde bij zoveel mensen die ik elke dag mag ontmoeten. Ieder mens heeft een eigen verhaal, een concrete geschiedenis.(Ik heb ook mijn geschiedenis als ziekenhuispastor. En gelukkig heb ik daar zelf vele herinneringen over). En juist in het ziekenhuis komen die ter sprake, hier wellicht meer dan elders omdat men bij een aantal dingen stil blijft staan. Men doet dit nog het gemakkelijkst de een bij de ander. Een verhaal dat verteld wordt heeft immers een luisterend oor nodig, iemand die daar tijd en ruimte voor heeft of beter nog voor geeft. Binnen die ruimte ontstaan er vaak heel onverwachte mogelijkheden. Ziekte wordt je toegegooid als onvoorziene hindernis op je levensweg. Het is alsof men plots tegen grenzen aanbotst die voordien niet bestonden. Men komt ineens heel anders in het leven te staan, met een heel andere kijk. Wanneer ziekte de mogelijkheden beperkt, kijkt men scherper. Men ziet het voorbije leven achter zich en weegt het met aandacht, met dankbaarheid of met spijt, maar nooit neutraal. En wat vóór ligt aan toekomst wordt met aarzeling of met vastberadenheid afgetast, als nieuwe mogelijkheden binnen de gestelde grenzen. Want ziekte gooit de dingen overhoop; wat voorheen vanzelfsprekend leek is dat nu ineens niet  meer. Dat heeft zowel betrekking op het persoonlijk leven als op relationeel, familiaal of professioneel vlak. Ziekte is immers nooit alleen een fysisch of medisch probleem. De hele mens is ziek of liever de mens is ziek in zijn heelheid, zowel lichamelijk, sociaal, emotioneel…, als spiritueel. Al deze dimensies zijn uit balans en hebben nood aan heling, aan genezing om een nieuw evenwicht te krijgen. Men stelt zijn hoop op bekwame artsen en verpleegkundigen. Maar er is veel meer dan dat. Men zoekt ook steun, houvast, ankerplaatsen en stevige grond in de diepte van het eigen bestaan en bij elkaar.

Het is verrassend om te zien over welke mogelijkheden ieder van ons beschikt. Het lijkt wel een ongekende bron die juist nu, bij het ziek zijn, voor het eerst wordt aangeboord. En ze heeft uitdrukkelijk een levengevende kracht. 'Geloof, hoop en liefde' worden ze soms genoemd, de grote drie. Drie deugden…, krachten die een mens staande houden en soms boven zichzelf doen uitgroeien. Ik wil ze elk apart bekijken ook al horen ze wezenlijk samen als één bron van leven, van echt leven.


Geloof als vertrouwen in het leven zelf is uiteraard de meest fundamentele vorm. Maar er is ook het geloof in mensen, in de bekwaamheid van artsen en andere zorgverleners waar men zich aan toevertrouwt. Er is het geloof dat men er is zich wel doorheen zal slaan. En er is het geloof in de God van het leven, dragende grond van ons bestaan, die met je meegaat wat er je ook overkomt. "Ik zal er zijn voor jou" wordt Hij genoemd, op Hem kan je vertrouwen.


Naast het geloof is er de hoop. Allereerst de hoop dat er toekomst is, dat er nog toekomst is voor mij, voor ons. Die hoop wordt soms heel concreet gemaakt: als ik genezen ben of als ik weer thuis ben dan… men vult dat in vanuit die dingen die men heel belangrijk vindt of waar men totnogtoe te weinig aandacht heeft voor gehad. Men maakt heel duidelijke plannen, meer dan ooit voorheen. Soms situeert die hoop zich uitdrukkelijk op het genezingsproces, als we een week of een maand verder zullen staan, zult ge eens zien… Hoop doet leven, hoop doet een mens uitreiken, doet hem verder kijken dan hier en nu en geeft hem ook kracht en energie om deze moeilijke tijd door te komen.


En als derde in de rij is er de liefde. En die gebeurt in vele verschijningsvormen: in de liefde tussen twee mensen die mekaars leven delen, een heel leven al of nog maar kort. En dat wordt tijdens een ziekenhuisopname ingekleurd door attentvolle aanwezigheid en bekommernis. Je vindt de liefde ook in de aandacht van buren vrienden of collega's. Maar ook in de gedrevenheid en bewogenheid van zorgverleners ook al schromen die zich om dat liefde te noemen, maar ze is er wel. Er gebeuren vaak zulke diepmenselijke dingen rond de zieke mens. Soms denk ik dat ze juist door de zieke en soms zorgbehoevende mens worden wakker gelokt. Het gelaat van de ander roept mij uit mezelf. Je kan er van op aan dat vooral de liefde mensen draagkracht geeft zo dat ze in staat worden om heel ver te gaan. Men gaat er voor omdat men zich ten diepste verbonden weet met die ander van wie men houdt en waardoor men zich bemind weet. Het is ook de liefde die het geloof en de hoop gaande houden. Het leven zoekt zijn weg telkens weer, ook al dreigt het zijn teruggeslagen door ziekte of gebrek. Het is zoals het water; het wil niet weten van de hardheid van de steen. Het leven zoekt zijn weg, vanuit het donker naar het licht; soms tastend, met vallen en opstaan, opnieuw leren leven, voortgaan op de moeizame weg van herstel vaak met kleine muizenstapjes.. Soms lijkt het eerder wel de processie van Echternach, twee stappen vooruit en één achteruit. Maar toch voortdoen, waar haalt iemand daar voor de kracht? Elke mens heeft zijn eigen bron. En een bron raakt nooit leeg. Ik zou het zo durven zeggen: de grote drie; geloof, hoop en liefde; zijn voor mensen als een onuitputtelijke bron van kracht ten leven, zij geeft hun de taaiheid van de geest die hen in beweging zet telkens weer, ook wanneer het tegen zit. De grote drie zijn als het water dat zich telkens weer opnieuw een weg zoekt en niet wil weten van de hardheid van een steen. Geduldig zacht streelt het eindeloos opnieuw zijn vorm uit. Zo is de Geest als levend water. Hij breekt uit en wil niet weten van de hardheid van de steen.

 

Willy Staessens, 12 juli 2017

Pinksteren

Pinksteren


De neerdaling van de H. Geest? Wat moeten wij ons daarbij voorstellen? Wie is die H. Geest?

De eerste tip vinden we al in de eerste zin van het scheppingsverhaal: "De adem van God zweefde over de chaos." De Geest Gods is het tegengestelde van ‘chaos’. Hij wordt aangeduid met het woordje ‘adem’. God is adem. God is leven. Elke mens komt met een ademstoot tot leven. Ademen is leven: de sterke adem van een atleet, de warme adem van een geliefde.

Een tweede aanduiding van de Geest vinden we in de woorden die de zwangerschap van Maria aankondigen "De Geest van God zal u overschaduwen." De Geest van God brengt onrust en verwarring tot bedaren. Zal in u zijn om de opdracht te vervullen die God u toevertrouwt. Geeft u rust en sterkte om datgene te vervullen wat uw kracht eigenlijk te boven gaat. Jezus opnieuw laten geboren worden in deze tijd vereist geesteskracht.

En de Geest vandaag? Het is Pinksteren in de kerk. We zijn ongerust. Onze paus Franciscus probeert de deur van de kerk open te zetten, maar gemakkelijk gaat dat niet... De kerkverlating die we beleven is niet zo maar een modeverschijnsel dat wel zal overgaan. Het beangstigende daarbij is dat het juist de jongere, de meest vitale elementen de kerk verlaten hebben. De veertigers en al wat jonger is tot kinderen toe. Hoe zal het geloofsleven er uit zien morgen?

Beleven wij nu het einde van het christendom in Europa en daarna in de wereld? We moeten de schuld niet op één of andere vijand steken. Haar eigen fouten hebben de Kerk verzwakt en zij kan geen weerwerk bieden aan de uitdaging van een leefwijze waarbij God overbodig is. Is dit het einde van het christendom? Of is het een kantelmoment naar een nieuw Pinksteren?

Die uitdaging moet ons eindelijk wakker schudden. Het is hoog tijd. Het zal niet volstaan om de oude resten in stand te houden. Zullen wij in de toekomst ons geloof in Jezus en zijn blijde boodschap nog in gemeenschap beleven? Ja, dat kan. Als een gemeenschap kan samen komen in gebed, gegroeid en geboren uit de gemeenschap dan stelt die gemeenschap zich open voor de adem van de Geest. Dat is de nieuwe kerk: mensen uit het volk die de taal spreken van het volk, om in deze tijd elkaar een nieuwe adem te geven: de adem van God. Pinksteren is een kerkgebeuren. Maar Pinksteren speelt zich ook af in het hart van de gelovige. Laat u beademen door God en dan krijg je een andere kijk op het leven en op jezelf. We zijn meer dan een biologisch verschijnsel. Elke mens, maar ook elk dier, elke plant elke bloem, elke ster wordt gedreven en bezield door Gods adem. Daarvoor open staan vervult ons met verwondering, met dankbaarheid en met een eindeloos vertrouwen.
(Naar Manu Verhulst.)


Jos Van Pelt, pastor, 20 april 2017

Hopen door alles heen

Spiritualiteit oktober 2014


Hopen door alles heen.

Wanneer de hoop je in de schoenen zakt en je het niet meer ziet zitten om nog verder te doen wordt alles donker en uitzichtloos. Wanneer wanhoop toeslaat lijkt het einde dichtbij. Maar wat is hoop en waar komt ze vandaan?

Ik ben de tekst 'Het kleine meisje hoop’ van de Franse auteur Charles Péguy nog eens gaan opzoeken. Het is een gesprek met God aan het woord. Ik citeer er enkele fragmenten uit:

"Wat ik het meest liefheb, zegt God, dat is de hoop." 
Het geloof, dat verwondert mij niet. Het is ook niet zo verwonderlijk dat mensen geloven. Ik schitter toch in heel mijn schepping. In de zon, in de maan, in de sterren, in al mijn schepselen… 
De liefde, zegt God, zij verwondert mij niet. Het is toch niet zo verwonderlijk dat mensen liefhebben. Hoe zouden zij geen liefde voor elkaar hebben! Of ze zouden een hart van steen moeten hebben!... De liefde, zij verwondert mij niet. 
Maar de hoop, zegt God, zij is het die mij verwondert, ja zelfs mij. Het is zeer wonderbaar dat mensen hopen… Zij zien hoe het er vandaag aan toe gaat, en toch geloven zij dat het morgenvroeg beter zal zijn. Dat is wonderbaar. Daar sta ik zelf nog altijd verwonderd bij stil. Mijn genade moet wel een ongelofelijke kracht hebben dat deze kleine hoop, die aarzelend flakkert in de wind van kwaad en ontij en telkens dreigt uit te doven, toch trouw blijft branden, standvastig, recht, puur, onoverwinnelijk, onsterfelijk, eeuwig zoals de kleine godslamp in de kerk… Wat mij verwondert, zegt God, dat is de hoop. Dit kleine meisje hoop…

Geloof is vanzelfsprekend. Het gaat vanzelf. Om te geloven hoeft men zich maar te laten gaan, hoeft men maar te kijken. Om niet te geloven moet men zichzelf geweld aan doen, zich verharden, zich averechts opstellen. Het geloof is heel natuurlijk. Om niet te geloven, mijn kind, moet je ogen en oren dicht stoppen, zodat je niet meer ziet en niet meer gelooft.

Ook de liefde is jammer genoeg vanzelfsprekend. Om zijn naaste te beminnen hoeft men zich maar te laten gaan. Men hoeft slechts te kijken naar en zich te laten raken door zoveel ellende en hulpeloosheid van je medemens. Om zijn naaste niet lief te hebben moet men zichzelf geweld aan doen, tegen zichzelf in gaan, zich verharden, tegen zijn natuur in gaan, tegendraads zijn. De liefde is heel natuurlijk, ze schiet spontaan op. Zij is de eerste beweging van het hart, de eerste spontane beweging van goedheid. Om je naaste niet te beminnen, mijn kind, moet je ogen en oren dicht stoppen zodat je al die kreten van pijn en droefheid niet meer hoort.

Maar de hoop is niet vanzelfsprekend. Zij gedijt niet zo maar uit zichzelf. Om te hopen, mijn kind, moet je gelukkig zijn, moet je een grote genade ontvangen hebben. Het geloof ziet slechts wat is, maar de hoop ziet wat zal zijn. De liefde bemint slechts wat is, maar de hoop bemint wat zal zijn.” 
(Uit Charles Péguy, Le Porche du Mystère de la Deuxieme Vertu.).

Hoop is niet van zelfsprekend maar ze bestaat en je ziet het voor je ogen bij die of die mens. Het is een ongelooflijke kracht, “genade” die je staande houdt en de toekomst open houdt, omdat ze bemint wat zal zijn. Ze kijkt dus verder dan hier en nu, deze moeilijke concrete situatie. Het is zeer wonderbaar dat mensen hopen… Zij zien hoe het er vandaag aan toe gaat, en toch geloven zij dat het morgenvroeg beter zal zijn. Dat is wonderbaar. Daar sta ik zelf nog altijd verwonderd bij.

 

Willy Staessens